Zwemles

‘’Ik wil niet naar zwemles!’’, roept mijn oudste verontwaardigd uit. Het gegil wordt luider en luider. Ik vraag haar of ze door wil gillen, of dat we er gewoon over kunnen praten. Gillen is nog niet over, dus verwijder ik me uit de ruimte voor mijn eigen rust. Ze wil meelopen, en blijft dan toch gillen op de plek waar ze is.

Ik pak rustig de zwemspullen, want geen haar op mijn hoofd die twijfelt over zwemles. Ook al is in de hitte zitten nu niet bepaald mijn hobby, sommige dingen horen erbij.

Dus kom ik beneden. Zwemtas gepakt, spullen erin, ja zelfs de waterschoentjes en sokken. Weg dochter. Weg. En waar ik ook roep en zoek, nergens te vinden….. grrrrr. Ik voel mezelf licht geïrriteerd raken, maar moet er ook wel een beetje om grinniken. Ik voel de lichtheid in mezelf terugkomen.

Ik loop nogmaals het huis door, nu begint papa ook mee te zoeken, en ja hoor, ze had zich onder het bed van haar zus verstopt.

Ik benoem wat mopperig wat ik ervan vind, we stappen in de auto en moeten vlot zijn, maar ik besluit me niet te haasten. Rij rustig die kant op, we praten erover. Dochter: maar ik wil echt niet naar zwemles. En wil je dan zeggen dat ik niet door het gat wil? Ja, ik wil dat best zeggen, maar benoem er ook bij, dat ze dan nog steeds zal moeten gaan als ze richting een diploma wil.

We praten verder, over andere dingen nu en dan zegt ze grijnzend, met een blik naar mij: mama, als ik dan weer verstop he, voor zwemles, dan weet je nu waar je me moet zoeken! Twee ondeugende ogen kijken me aan. Ik schiet in de lach.

Op het zwembad, weigert ze te douchen. Ik vind het best, benoem wel wat de juf erover kan zeggen, en dan gaan we richting bad. Ik benoem dat ik wel ga vertellen, waarom we laat zijn. Ik noem nog even waarom er wel gedoucht wordt, en laat het bij haar.

Ik loop richting de coördinator. Geef hem korte uitleg over het te laat zijn. Hij begint te grijnzen, en zal haar wel eventjes vragen hoe het komt dat ze te laat is.

Ook mag ze het vertellen, tegen de hoofdzwemjuf na de les. Die vertelt dat ze het jammer vindt om te horen, want het gaat juist zo heerlijk goed, dat zwemmen. Ik zie haar ontspannen. Een lachje.

Ronald, de coördinator komt na de les nog even bij ons staan. Nou?! Vraagt hij. Wat vond je er zelf van? Ging goed, he? Ik vertel wat ik ervan vond, en hoe mooi ze inderdaad zwom, hoe verrast ik was van bepaalde kunsten.

En zelf vertelde ze er ook van dat het wel goed ging, maar ze vooral zin had in het stukje spelen nadien.

In de auto terug, geeft ze aan dat ze nog steeds niet naar zwemles wil. Maar, dat ik haar toch wel mag opzoeken, zodat we de volgende keer wel op tijd zijn.

De reden om er toch op in te gaan, is: ik leer haar, waarom we op tijd proberen te zijn. En ik leer haar, wat andere mensen ervan vinden, maar vooral het ”waarom”… zij kiest dan of zij erin meekan, ja of nee. En leert zo, dat het toch best een aardig idee is, om je zo af en toe te schikken in tijdsplannen of regels.

Op het moment van schrijven, gaan we lekker twee keer dit weekend. Want hoe vaker je oefent, hoe vlotter het klaar is. Zij bepaalde het tijdstip vandaag (ochtend of middag), en ik bepaalde dat ze ging.

‘’Is goed, mama. Als ik dan eerst nog even lekker mag spelen.’’ En dat is natuurlijk, geen enkel probleem. 

Na een paar weken, blijkt zwemles geen enkel probleem meer te zijn. Ze begint enthousiast te vertellen, over wat ze gedaan heeft en wat er al dan niet lukte. Ze gaat er met plezier naartoe, nu ze beter begrijpt waarom, wat en hoe en weet dat dit een van die dingen is, die erbij hoort. Maar waar ook een einde aan zit, als je het eenmaal kunt.

ruw spelen

een paar jongens spelen met elkaar. Ze zijn aan het stoeien in de zandbak. Het gaat er steeds wilder aan toe.

Ouders zijn soms geneigd om te snel in te grijpen. Bijvoorbeeld vanuit bezorgdheid: gaat het allemaal nog wel goed? Of vanuit eigen oordeel, bijvoorbeeld doordat je het zelf te spannend vindt. Als je kijkt naar je kind, gaat het spel door de kinderen gestuurd als vanzelf veranderen.

Redenen om wel in te grijpen:

  • een van de kinderen, gaat veel te ver. Hij duwt bijvoorbeeld de ander met zijn gezicht in het zand, op een ruwe en bozige manier —-) Nu is het geen stoeien meer, het wordt wat anders. Aangestuurd door boosheid. Dan moet je het spel stoppen, omdat de veiligheid verdwijnt voor de kinderen
  • een van de kinderen, gaat over op slaan, schoppen of bijten —) spel stoppen, en kijken wat er speelt bij het kind dat dit is gaan doen. Vaak zit er wat anders achter. Kom je er niet achter, prima, dan vraag of verzoek je dit kind wat anders te gaan doen
  • een van de kinderen, of misschien wel twee of drie samen, gaan op een kind af. Ze drijven dit kind in het nauw, en worden te ruw in hun spel. Bijvoorbeeld met zijn allen, een kind in een speelhuisje duwen, waarbij het betreffende kind niet meer blij of tevreden is. Waarbij het te ver gaat —) spel stoppen, en erover hebben. Lukt dat dan nog niet, wegens emoties, er later op terug komen op een geschikter moment

 

Redenen om het spel te laten gebeuren, ook al heb je er zelf allerlei emoties bij, of vind je het lastig, moeilijk:

  • de jongens beleven er zichtbaar plezier aan
  • de jongens zijn aan het experimenteren met hun grenzen. Ze spelen wel ruw, maar er is controle en veiligheid
  • de jongens lijken uit te proberen, welke varianten van stoeien nog acceptabel en leuk zijn voor de ander. Ze gaan volop op in hun spel, maar kunnen nog wel kijken naar de ander die meedoet
  • de jongens kunnen omgaan met het woord ”stop”, ”niet meer doen” of andere stop- woorden
  • vul aan

Jongensspel is vaak anders dan meisjesspel. Er zijn echter ook meiden, die dit spel leuk en uitdagend vinden. Voor hun ontwikkeling is nodig, dat zij experimenteren met grenzen van lichamelijke kracht, bijvoorbeeld snelheid, behendigheid, tegen hoeveel ”spanning” kun je, en wat kun je aan met krachtmeting. Het is daarom dat jongens bijvoorbeeld graag stoeien, wilde spelletjes doen etc.

wanneer jongens, en meisjes ook, met bijvoorbeeld een vader stoeien, zie je hetzelfde. Het gaat nog goed, als ze lekker stoeien, flink duwen en trekken met elkaar en ze plezier beleven. Ook als ze met zijn allen de vader gaan aanvallen in hun stoeispel. Het gaat niet meer goed, als een van de kinderen echt gaat slaan, schoppen e.d. Dan kan het spel niet verder gaan i.v.m. de veiligheid van de andere betrokkenen.

Wat wel kan, is met een kind dat altijd te ver gaat in stoeien, oefenen met de basisvaardigheden die ervoor nodig zijn, veilig te kunnen stoeien.

En eventueel te onderzoeken, wat nou precies het moment is, waarop dit kind kiest voor slaan, schoppen, bijten, knijpen of anders. Daar alternatieven voor aanreiken.

 

Leuke boeken rondom stoeien, lichamelijk besef en omgaan met grenzen, bij kinderen zijn:

 

  • Sherborne Bewegingspedagogiek
  • Opvoeden door stoeien

 

 

Huilen

Mariska liep het schoolplein op. Haar zoon, Ties, huilt. Mariska vraagt wat eraan de hand is, en Ties komt al snikkend op haar afgelopen. Hij vertelt dat Mart hem met zand gooide. Midden in zijn gezicht. En Ahmed deed ook mee.

Als ouder, is het vaak niet fijn, als je je zoon ziet huilen, als hij onder het zand zit en er verdrietig van is geworden, of als er ruzie is geweest. Je wilt het liefst alles voor hem oplossen, om hem weer blij te zien. Misschien wordt je van binnen wel boos, om wat er gebeurde. Wat kun je doen, op moment dat dit op het schoolplein speelt, en je eigenlijk niet goed weet, hoe het spel ging voordat jij eraan kwam?

Misschien helpt het, te troosten en direct even te wachten, met je reactie. Misschien lukt dat niet, dan

  • kun je bevragen, wat ze speelden, en hoe. Of als het niet spelen was, maar een ontmoeting: wat een ieder deed, en hoe dat ging (situatie)
  • kun je vragen naar de rol van jouw eigen kind (actie); wat deed je dan? aha, en wat gebeurde er toen? wat deed Mart? je luistert naar de antwoorden, en stemt je vragen erop af
  • daarna kun je de situatie inschatten, en daar heb je soms het andere kind voor nodig, soms niet afhankelijk van wat er gebeurde. Je kunt de andere kinderen eens vragen, wat er gebeurde: hoi jongens/ hoi Mart en Ahmed, wat zijn jullie aan het doen? — de kinderen vertellen
  • je vraagt door
  • en dan kun je het er samen over hebben

Uiteindelijk bleek, dat de jongens leuk met elkaar begonnen, met een zandspel. De ene heeft de grenzen wat verder, dan de ander. En omdat het spel steeds, iets drukker werd, begon een van de jongens hard te wroeten in het zand en dat kwam op Ties. Ties zag zijn moeder, en begon te huilen. Hij leek het spel niet fijn meer te vinden.

Zo kwam er een middenweg: wel met zand spelen en grenzen verleggen, maar erop letten dat het nog een fijn spel blijft waarbij je elkaar mag raken, maar dan op de broek, schoenen en verder niet meer.

Zo konden ze samen verder spelen. Totdat Ties besloot, dat voor hem het spel toch klaar was toen de jongens net wat harder gingen gooien en graven.

 

img-20160610-wa0007

 

Van gemopper naar samenwerken

Verhalen uit de speel- en leer- kamers:

Ik ga mooi niet lezen hoor! Dat feestje gaat mooi niet door!, gaf Daan me maar al te duidelijk aan. Kwam ik aan, met mijn boekje, letterstempels, haaienplaatjes om letters en woorden van te knippen en de globaalwoorden waarmee we samen lazen.

Daan gooide zich op bed. Duidelijk niet van plan om ervan af te komen.

Ik besloot alvast te gaan werken. En met veel enthousiasme, begon ik. Gemopper, vanuit het bed. Hij draaide zich om, gezicht richting de muur. Ik ging door, en onderdrukte een glimlach om zijn gedrag. Ik twijfelde of hij mee zou doen, maar besloot ervoor te gaan. Voor het lezen. Zo las ik voor, uit een van zijn favoriete dierenboeken, die toevallig nog op tafel lag.

Natuurlijk liet Daan zich niet zomaar vangen, en bleef op bed hangen, echter iets opgericht nu, quase belangstellend. Ik keek met schuin oog, maar deed alsof ik niks door had. Ging gewoon door met mijn enthousiaste lezen. Telkens als ik van activiteit veranderde, deed ik dit langzaam, met aandacht en kort benoemend. Daan kwam nog niet. Ik gaf het al bijna op, tot ik een ingeving kreeg: Daan is dol op wedstrijden! Ik bedacht ter plekke een spel waarin lezen en winnen zat, en begon deze te spelen met een poppetje op zijn tafel. Dat wekte interesse!

Wat ben je nou weer aan het doen, Delia?!, noemde Daan, terwijl hij erbij kwam staan. Ik benoemde, en ging door met het spel terwijl Dj Kips, zoals het poppetje heette, al bijna van me won. Al snel zaten Daan en ik ge- enthousiasmeerd te spelen, kijken wie de meeste woorden kon maken, wie het beste hardop kon lezen etc. En Dj Kips? Die stond verbouwereerd aan de kant te kijken! 😉

dj

 

zelf eten!

Het eten was niet gezellig meer.

Kevin had geen zin in eten, en Minke ook niet. ”Bah! eten we nu alweer aardappels!?”, galmde het over de tafel. De kinderen aten niks. Ouders met de handen het haar.

Deze keer probeerden ze de volgende techniek:”nog 5 hapjes!”, gevolgd door aanmoedigingen wanneer het lukte. Kevin liet zich overhalen, Minke was echter onverbiddelijk. Ze at niks!

Wat nu?

De volgende dag bedachten ouders en kinderen een paar regels. Een van de regels was: we scheppen zelf ons eten op. De kinderen ook. En dat wat op hun bord ligt, eten ze op. Voor de kinderen werkte dit beter, dan het gemopper, gepush en een te vol bord. Verder gaf het hen wat meer verantwoordelijkheid over hun eigen bord en lichaam, doordat ze nu zelf mochten bepalen.

Na een week, leek de truc uitgewerkt en begon het gemopper weer… totdat ouders hun eigen agenda loslieten, de kinderen een klein deel konden volgen, waarbij de kinderen spelenderwijs hun eten opaten. Door het spel: ik maak fruitsalade, voor mezelf en de ander.

Met een vork, maakte Minke een vork vol met stukjes groente, stukje vlees en een stukje aardappel (de ”fruitsalade”) en dat steeds weer, en zo was het eten vlot weg, en bleef er een gezellige sfeer.

31634343451

 

 

Zelfkennis voor en bij kinderen

Hoe leert een (jong) kind zichzelf kennen?

Er zijn diverse manieren, om dit te (mogen) ontwikkelen.

  1. Spel, is een belangrijk moment waarop je allerlei dingen leert rondom motoriek, sociale vaardigheden, grenzen etc. Ook kun je er rollen uittesten die je passen of niet passen. en dan met name het vrije (ongeleide) spel
  2. Zelf doen, helpt je zelfvertrouwen te krijgen. Want je leert, wat je al wel en nog niet zelf (aan)kan
  3. een stukje zelfcontrole op een dag, waarin jij als kind kan bepalen. Dit helpt voor eigenwaarde, en zelfvertrouwen
  4. gesproken taal; het benoemen van wat je (kind) doet, ontdekt, speelt etc. Kinderen leren verwoorden met, en zonder behulp van volwassenen. tijdens het verwoorden, leren ze over zichzelf en de wereld om hen heen. innerlijke spraak. Bij sommige kinderen blijft deze innerlijke spraak, vrij lang het ”hardop denken”–) zeggen wat er in je omgaat, ook als dat niet aardig klinkt. Het verwoorden van je gedachten
  5. voordoen door volwassenen, of het samendoen met volwassenen. Kinderen genieten van meehelpen met klusjes, zeker als ze jong zijn. Hierdoor leren ze veel over zichzelf en ontwikkelen eigenwaarde. Waardevol, want je mag meedoen, je wordt gezien, je krijgt aandacht en hebt ook een taak
  6. met vaders klusjes doen, omdat deze vaak net meer dan moeders, echt zelf laten doen/ de verwachting anders stellen. Niet altijd, maar vaker wel

 

IMAG3851

soms alleen….  gewoon thuis met mama of papa! Ontdekken hoe werken in de tuin werkt, en hoe je een bezem gebruikt.

 

en soms… samen. Als groep kinderen!

Samen, met elkaar leren en genieten. Vrij spel, binnen kaders, met of zonder opdracht. Kinderen hebben dan zelf de gelegenheid om hun grenzen te ontdekken en ontwikkelen, met een begeleidende volwassene op afstand. Een volwassene, die alleen als nodig even iets verwoord of kadert. Maar ook hier: zelf ontdekken wat werkt.

Hoe je het materiaal kunt gebruiken, met daar waar nodig uit veiligheidsoverwegingen even een beginners aandachtspunt door de volwassene, of af en toe wat uitleg/ begeleiding tussendoor.

foto1

 

Met zorg om leren gaan, met elkaar, met de natuur en met materialen. En als resultaat kunnen laten zien, wat jij hebt gedaan.

Pizza!

Hella was op visite bij een vriendin van haar moeder. Zoals altijd vond Hella eigenlijk alles goed. Keuzes, daar leek ze niet aan te doen.

Bij elk voorstel wat gedaan werd door de vriendin van moeder of door een van diens kinderen, zei Hella volmondig, of twijfelachtig ”ja, is goed”. Wanneer je Hella vroeg, wat ze wilde, wist zij dat nauwelijks tot niet te benoemen.

Tot… op een dag, de dag heel anders verliep dan bedoeld.

De vriendin van moeder had die middag iets te regelen, en zo kwam het, dat Hella en de kinderen hun eigen invulling moesten maken, met de partner (Peter) van de vriendin. En zo ineens, bedacht Hella wat zij wilde eten. Out of the blue: Pizza!

Hoeraaaa! Hella maakte een keuze! Het fijnste kado voor Hella was, dat Peter dit ook op tafel zette voor Hella, waardoor zij beloond werd voor kiezen van wat zij wilde eten!

 

images

Lachebekje

als kinderen lachen… Wordt dat al snel geassocieerd met dat het goed met ze gaat.

Maar lachen kan een middel zijn, om niet dichtbij jezelf te hoeven zijn.

Al snel komen we erachter dat bij Z de lach wel veel verschijnt, maar dat zij weinig eigenheid heeft. Haar spelen ontwikkelt niet uit zichzelf. Ze zit erg in een zorgrol. Ze volgt, maar bedenkt zelf geen fantasiespel. Ze kan echter wel genieten van het fantasiespel van een ander.

Bij haar werkt het uit de tent lokken, uitnodigen, motiveren, maar soms ook zelf spelen. Langzaamaan komt ze dichterbij en kijkt ze, of voegt iets kleins toe. Of ze speelt het na wat ze zag.

Wat was buiten zijn heerlijk voor haar. Even in de speeltuin, spelen. Lekker kunnen liggen in de schommel en je heen en weer laten wiegen. Ook eens lekker klimmen en klauteren. En bovenal… Heel vaak van de kabelbaan gaan.

En stiekem… was een beetje klein mogen zijn ook erg fijn! Aandacht, omdat dat soms vergeten wordt, zeker als jij een stil lachebekje bent.

Opvoeden bij ongewenst gedrag

Ouders doen dingen, met de beste bedoelingen. Alle ouders. Ook jij!

Dat weten kinderen, en daarom luisteren ze, en letten ze op hun ouders. Doen ze hen na. Want door hen te volgen, hopen ze dat te krijgen wat zij nodig hebben om te ontwikkelen.

Dit is echter niet altijd even zichtbaar. Dit uit zich dan bijvoorbeeld in ongewenst gedrag als slaan, schoppen, spugen, schreeuwen, afsluiten voor contact, terugtrekken, verlegenheid, bedplassen, niks vertellen, en noem maar op. Of erger,

Je kind heeft het opgegeven.

Voelt zich eenzaam.

en dat uit zich in zijn of haar gedrag.

IMAG0116 van je verdrietig, angstig of boos voelen

je kind is boos, verdrietig, angstig, eenzaam… en laat jou dat op een hele eigen wijze zien.

Maar hoe doe je dat dan? Omgaan met een kind dat zich zo voelt?

Soms gaat dat niet zo makkelijk. Een kind leiding geven. De praktijk blijkt een stuk weerbarstiger dan programma’s als ”the Nanny” je doen geloven. Zelfs, als jij alle spelregels volgt, kan het toch net niet helemaal geven wat jij gehoopt had. Met name kijkend naar de lange termijn.

Maar.. het leek allemaal zo goed te gaan! Op de korte termijn is er wel resultaat! Dus dan werkt het wel!

Op de lange termijn blijk je dan toch weer te zitten, met een kind die boos is, verdrietig,angstig en die net ander gedrag laat zien om precies datzelfde weer te uiten.

Hoe ga je daar dan mee om?

Dat is een van de dingen, die ik je kan leren.

 

schrijven en tekenen naar gelukkig

Ben jij mijn vriend?

Ik kreeg eens de volgende vraag van een jongen. ”Delia, kun jij mij helpen vertellen? Ik wil niet kwetsen. Ik weet niet hoe ik kan vertellen”.

Toevallig vond ik het blaadje laatst terug. Zijn wiebelige, grote handschrift, in rode letters op dat lichte blaadje. Ik zie ons weer zitten. In de klas. Wat was het spannend, om zo schrijvend samen te praten voor hem. Een hele nieuwe ervaring, vertellen en vragen.

Niet veel later, deden we een spel. Met drie vriendjes. We deden het vragen-spel, waarbij niet alleen hij op papier schreef en de ander dan voorlas en antwoordde, maar de ander ook vragen stelde en hij ging antwoorden op zijn manier.

Zo vroeg hij na een tijd aan een jongen uit de klas: ”vind jij mij leuk?” Melle antwoordde enthousiast: Ja, meestal wel. Maar soms ook niet want dan maak jij zoveel lawaai en doe je gek. En dan kan ik niet goed werken”.

Pieter dacht na, en antwoordde toen in geschreven taal: ”dat doet mijn lichaam. Ik weet niet hoe ik het kan stoppen. Ik wil het wel leren stoppen.”

 

Pieter vroeg:”Wil jij dan wel mijn vriend zijn?”

 

Melle: ”Ja, natuurlijk ben ik je vriend! en jij? ben jij mijn vriend?”

Pieter vergat te antwoorden, maar toen ik hem prompte, kon hij vertellen en gaf aan dat hij ook een vriend van Melle was.

Pieter dacht na, en schreef: ”ik kan het niet stoppen. Maar ga proberen het te stoppen.

Wil je straks samen spelen?”

 

Eerlijk, en simpel. En… doordat Melle zo eerlijk was, kon Pieter leren over gedrag dat soms niet gewenst is, maar dat ook al doe jij soms dat gedrag, je toch nog vrienden bent! 🙂

IMAG3957